SAMENVATTING 'ZICHT OP EFFECT'
TUSSENRAPPORTAGE VM2-EXPERIMENTEN - SCHRIJVER: ACTIS ONDERZOEK
12 Samenvatting
Bij het begin van deze tussenrapportage 2009-2010 is aangegeven wat de kernvraag bij deze monitorfase is geweest, namelijk:
Wat is in het najaar van 2009 de stand van zaken bij de experimenten eerste en tweede tranche (voor wat betreft de leerlingen en hun kenmerken, de inhoudelijke keuzen en de procesmatige voortgang die in de experimenten wordt gemaakt), zijn verschillen waarneembaar tussen beide tranches en zijn in het geval van de eerste tranche effecten zichtbaar op de leerlingloopbanen?
In dit laatste hoofdstuk vatten we de belangrijkste bevindingen samen.
12.1 Stand van zaken bij de experimenten eerste en tweede tranche
Als we bezien waar de eerste tranche experimenten inhoudelijk staan, dan zien we grosso modo dat de keuzen die deze experimenten eerder maakten redelijk constant blijven. De experimenten gaan in het najaar van 2009 nog steeds uit van een cursusduur van drie jaar en het vmbo-examen wordt in veruit de meeste gevallen gehandhaafd. Er zijn wel wat veranderingen te bespeuren, die dan vooral gelegen zijn in het enigszins ‘vooruitschuiven’ van de omslag van beroepsoriënterend naar beroepskwalificerend en het ‘terugpakken’ van het vmbo-examenprogramma als belangrijk richtsnoer bij de invulling van het VM2-traject. De experimenten geven verder aan dat zij verwachten het zomerlek in de maanden mei-juli 2010 voornamelijk te gaan vullen met het doorprogrammeren met mbo- inhoud. Van de economische crisis ondervinden de experimenten (nog?) nauwelijks hinder. Wel lijkt het erop dat in de sector Techniek stageplaatsen iets moeilijker te vinden zijn dan voorheen, maar dat leidt nog niet tot aanpassingen in het VM2-programma. Het thema ‘taal en rekenen’ is voor de eerste tranche experimenten binnen VM2 geen specifiek issue. Het is eerder zo dat de experimenten in meer algemene zin, dus voor alle bb-leerlingen, meer aandacht besteden aan dit onderwerp dan voorheen. De tweede tranche experimenten laten – gegeven het algemene beeld - op onderdelen net iets andere inhoudelijke keuzen zien. Hoewel ook bij deze tranche het meest gekozen wordt voor een inclusieve doelgroep leerlingen voor VM2 (bijvoorbeeld: ‘alle leerlingen zorg en welzijn’), komt de keuze voor een bijzonder leerlingprofiel, dus een exclusieve doelgroep bij de tweede tranche vaker voor. Daarnaast kiezen deze experimenten meer voor een cursusduur van vier jaar en zijn ze net iets minder geneigd te kiezen voor handhaven van het vmbo-examen (maar dat verschil is niet zo groot).
Als we kijken naar de procesmatige voortgang dan ontstaat het – zij het voorzichtige - beeld dat de ontwikkeling bij een aantal experimenten eerste tranche nog niet over de hele breedte lijkt te vlotten. Nog niet bij alle experimenten is bijvoorbeeld – anderhalf jaar na de start – een docententeam geformeerd dat zich specifiek richt op VM2; bij een aantal experimenten zijn geen werkgroepen (meer) actief; soms wordt aangegeven dat het experiment feitelijk nog moet starten, enzovoorts.
De ontwikkeling van de experimenten tweede tranche oogt daarmee vergeleken iets positiever en voortvarender. Bijna overal zijn werkgroepen bezig met de ontwikkeling van de VM2-aanpak, docententeams zijn veelal al geformeerd, van samenwerking met het mbo is meer dan bij de eerste tranche sprake, enzovoorts. Beide tranches experimenten geven overigens aan zich de komende tijd voornamelijk te zullen richten op de verdere ontwikkeling van het onderwijsprogramma, het regelen of preciseren van de inzet van docenten en het bepalen van lesroosters.
De experimenten zijn over het algemeen tevreden tot zeer tevreden over de praktijknetwerkbijeenkomsten.
12.2 Kwantitatieve verschillen tussen de eerste en tweede tranche
In kwantitatief opzicht zien we de volgende verschillen tussen de twee tranches:
- de tweede tranche bevat bij de start van het experiment meer zittenblijvers dan de eerste tranche (8% ten opzichte van 5%);
- de tweede tranche omvat minder wisselaars van vestiging (10% ten opzichte van 21%);
- aan de tweede tranche doen meer leerlijnen mee in de sectoren Zorg en welzijn en Techniek, en minder leerlingen in de sector Landbouw dan in de eerste tranche;
- de leerlingen in de tweede tranche bestaat uit meer autochtone Nederlandse leerlingen met lwoo-indicatie; in de tweede tranche zijn meer jongens ingestroomd dan in de eerste tranche het geval was.
Een overeenkomst tussen de tranches is dat bij beide sprake is van een onderinschrijving van leerlingen op de beschikbare experimentruimte. De tweede meting van DUO in het voorjaar van 2010 moet aantonen of die onderbenutting in de tweede tranche omvangrijker is dan in de eerste. Daar zijn vooralsnog geen aanwijzingen voor.
12.3 Effect op leerlingloopbaan eerste tranche?
Voor wat betreft de leerlingen eerste tranche beschikken we nu over twee meetmomenten: hun onderwijspositie per 1 oktober 2008 en per 1 oktober 2009. Daarmee is het mogelijk een stukje van hun leerlingloopbaan in beeld te brengen en te kijken of en in hoeverre dat stukje verschillen te zien geeft met die van andere leerlingen die aan de gewone basisberoepsgerichte leerweg meedoen.
Wat we zien aan de leerlinggegevens tot nu toe is dat van de VM2-leerlingen eerste tranche 31,5% tussen het derde en vierde leerjaar in kiest voor een ander (onderwijs)traject. Daaronder bevinden zich 2,1% uitvallers.
Als we dit vergelijken met de landelijke groep leerlingen die in 2008 met het derde leerjaar vmbo is gestart, dan zien we dat daarvan 26,5% switcht van traject. In die groep zit eveneens 2,1% uitval. Op grond van de leerlingkenmerken van VM2-eerste tranche (ietsje ouder, vaker allochtoon en vaker lwoo) is het opvallend dat het uitvalpercentage onder deze leerlingen gelijk is aan dat onder de landelijke bb-populatie. Nemen we een qua leerlingkenmerken vergelijkbare selectie uit het landelijke bestand dan zien we dat in die selectie de uitval 4,6% bedraagt. Dus óndanks de samenstelling van de VM2-populatie slagen de experimenten er in de uitval op het landelijk gemiddelde te krijgen.
Wanneer we kijken naar de leerlingloopbanen op dezelfde experimentlocaties, maar dan een schooljaar eerder, dan zien we dat daarvan 31,3% wisselt van (onderwijs)traject. Daaronder bevinden zich 3,0% uitvallers. De VM2-leerlingen op deze locaties doen het dus beter dan hun medeleerlingen een schooljaar eerder. Bovendien komt uit een nadere analyse op de uitval per VM2-locatie naar voren dat experimenten die een goede of gemiddelde voortgang van het experiment meemaken, een grotere reductie van uitval tonen dan experimenten die minder soepel verlopen. Ook dit is een indicatie dat het VM2-experiment als zodanig – zelfs al na één jaar - verschil lijkt te maken.
De kwantitatieve analyses lijken kortom te wijzen op een effect van de VM2-aanpak. Deze positieve constatering moet echter nog wel met de nodige voorzichtigheid worden omgeven. Dit aangezien de analyses nog maar een kort stukje van de leerlingloopbanen betreffen en de leerlingenaantallen nog niet groot zijn. Mede om deze redenen zullen de analyses in het voorjaar van 2010 in het kader van de monitor verder worden voortgezet.
